Gemeenschappelijke taaleigenschappen

taaleigenschappen: foto van trap naar spiegelen daarin de reflectie van een boekenkast
© detekstschrijvers

Taaleigenschappen: volgens emeritus hoogleraar taalkunde Chomsky bevat elke taal vaste systemen waarmee men zinnen vormt; zo komen werkwoorden en zelfstandige naamwoorden algemeen voor. Andere overeenkomsten die alle talen bezitten zijn, naast de aanwezigheid van een zinsbouw; voornaamwoorden, klinkers en medeklinkers. De volgorde van bepaalde woordsoorten blijkt ook aan conventies onderhevig. Zo staan het bijvoeglijk naamwoord en het telwoord in de meeste talen voor het zelfstandig naamwoord. Natuurlijk is er meer…

Taalfamilies

Veruit de meeste talen zijn terug te brengen tot een aantal taalfamilies. Zo hoort onze taal tot het Indo-Germaans. Deze groep is ongeveer 8.000 jaar geleden ontstaan en wordt nu gesproken door grofweg 40% van de wereldbevolking, waarmee het de grootste taalfamilie is. Proto-talen vormen de geschiedkundige relatie tussen talen die aan elkaar verwant zijn, ze zijn de moedertaal (Grieks prõtos: ‘eerste’). Germaanse talen zijn geëvalueerd vanuit het proto-Germaans. Familie van het Nederlands zijn onder andere het Deens, Duits, Engels, IJslands en het Zweeds.  

Taaleigenschappen: woordvolgorde

De volgorde van woorden van bijna alle talen zijn onder te brengen in twee groepen: 

onderwerp-lijdend voorwerp-werkwoord 

(Subject – Verb – Object: de vrouw eet soep);   

onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp 

(SOV: de vrouw soep eet).   

Het Nederlands behoort tot de eerste groep net zoals bijvoorbeeld het Engels, Italiaans en Frans. Volgens onderzoekers aan de Universiteit van Chicago is de SOV volgorde de meest organische. Het is de volgorde van elke nieuwe taal (pidgin). Een pidgintaal vormt zich wanneer men elkaars taal niet kent en toch moet communiceren. Als deze vereenvoudigde taal een moedertaal wordt spreek je van een creooltaal. SOV is ook de volgorde die iedereen aanhoudt bij het uitbeelden van verhalen zoals bij gebarentaal. Susan Goldin-Meadow van de Universiteit van Chicago stelde, bij veertig kinderen met 4 verschillende moedertalen die aan het onderzoek meededen, vast dat bij het uitbeelden van de zin “kinderen eten snoep” de visuele weergave als volgt is:

onderwerp-lijdend voorwerp-werkwoord 

(SOV: kinderen snoep eten). 

Taaleigenschappen: er bestaat dus wel een soort universele wetmatigheid om het onderwerp voorop in de zin te plaatsen. Ook bestaat er over het algemeen een voorkeur voor de actieve vorm.

Pidgin

Vaak ontstaat een pidgin door een grote vereenvoudiging van de taal waarmee de spreker zich bedient. Dit in de verwachting zich beter verstaanbaar te maken. Grammaticale regels, en dus taaleigenschappen, worden daarbij uit andere talen overgenomen. Zulke zinnen bevatten onvervoegde werkwoorden en een wisselende woordvolgorde maar leunt duidelijk op de SOV-vorm en kent vrijwel geen harde grammatica-regels.

Gebarentaal

Volgens ‘de Ethnologue: Languages of the world’ bestaan er 7.117 talen, waaronder 137 gebarentalen. Een gebarentaal is een organische, etnische taal; vandaar de variaties. Gebieden hebben afzonderlijk gebarentalen die separaat van de plaatselijk gesproken talen evalueren. Natuurlijk zijn er gebaren die universeel worden gebruikt: Thumb up en pico bello bijvoorbeeld. In de gebarentaal zijn veel gebaren gebaseerd op de vorm van de uit te beelden zaken of bewegingen. De grootste overeenkomst is dat alle gebarentalen ruimtelijk zijn: er wordt gebruikgemaakt van de dimensies. 

Omdat ook gebarentalen zijn onder te brengen in taalfamilies, lijken sommige gebarentalen op elkaar. De Nederlandse gebarentaal is geen familie van het Duits, zoals in gesproken taal maar familie van de Amerikaanse en Franse gebarentaal. De Britse (familie van de Australische en de Nieuw Zeelandse gebarentaal) en de Amerikaanse gebarentaal lijken weer helemaal niet op elkaar. Zijn er ook doventolken voor doventolken die zich van verschillende talen bedienen?

Handalphabet

Afzonderlijke letters zijn uit te beelden in een handalphabet, ook daarbij geldt dat er geen uniformiteit bestaat. Een opmerkelijk feit is dat bij het uitbeelden van getallen de Chinezen tot iets unieks in staat zijn. De getallen 0 tot en met 10 zijn op 1 hand te tellen, te verbeelden. Da’s handig, kan je met de andere hand iets anders doen.  

Bronnen: Beekes, R.S.P. Comparative Indo-European Linguistics: an Introduction, John Benjamins Publishing, 1995. 

Stichting Nederlands Gebarencentrum. 

Bachelor’s thesis Linguistics Radboud University Nijmegen by Morwenna Hoeks, 2016.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *