Doodse stilte | het nut van tekstschrijvers

Schrijvers van naam hebben gerenommeerde detectivebureaus ingeschakeld, geleerden hebben z’n uit twee delen bestaande bestseller tot op het bot gefileerd, er is om hem gevochten, gemoord en gebeden. Zijn naam geeft meer dan drie miljard hits. Ooit was er iemand die hem, officieus dat wel, dood heeft verklaard maar een aanwijzing voor zijn bestaan heeft geen mens kunnen vinden.

Net zoals UFO’s nooit boven een woonwijk verschijnen doet de kindervrind van boven ook opmerkelijk goed zijn best om zijn bestaan onopgemerkt voorbij te laten gaan: Ik sla voor het gemak even vanaf de jaartelling wat eeuwen aan rampen over. De pestepidemie van 1663; geen bericht, wereldoorlog 1 & 2; doodse stilte, Tsunami; niemand thuis, Frans Bauer; doet net of ie doof is. Dat is toch op zijn minst opmerkelijk te noemen. In mijn ogen is het nog opmerkelijker dat er mensen zijn die vergiffenis vragen aan dezelfde god waar ze almacht aan toe schrijven. Ik bedoel eigenlijk dat zonder z’n schepselen de schepper niet zou bestaan en zonder verbeelding de schepper niet… dat hij paradoxaal genoeg ons nodig heeft om z’n eigen bestaan te bevestigen.

Onsterfelijk word je natuurlijk pas door het oplettend oog van een ander: zonder Markus, Lucas, Johannes of Mattheus had niemand van de grote goochelaar gehoord. Om wat dan ook te bereiken is er dus een tekstschrijver nodig die oplet.

Een echt verhaal

Twee boeken, een van van het Reve en een van Hermans, in een oude lijmklem van hout. Illustratie bij een kort verhaal waarin deze schrijvers voorkomen.
© de tekstschrijvers

Ik vervolg mijn weg naar huis in de hoop genoeg van de hernieuwde kennismaking met een jeugdvriend te onthouden om er iets van op papier te krijgen. Dat doe ik graag; volgens mij zijn ideeën en verhalen namelijk de enige manier om vat te krijgen op de realiteit. Wat kan de grens tussen werkelijkheid en waan beter scherp stellen dan een verhaal? Maar ‘k loop op de feitloze feiten vooruit…

Door een signeersessie van de Haagse zenuwlijder Aart B. Bocht slenter ik na de ontmoeting, later dan gewoonlijk op een zaterdagmiddag, van mijn werk naar huis. Alina, de waarheid gebiedt het mij te melden, hing als een natte dweil laveloos om de nek van die wild gebarende maniak. Adoreren zulke lui min of meer bekende mensen omdat ze verwachten dat het succes naar ze afstraalt? Het slot klikt met een vertrouwd geluid open, thuis.

Ik geloof trouwens niet dat ik mezelf heb voorgesteld… Mijn naam is Bouwe Valerah, geboren en getogen in het oosten van het land. Ik weet niet veel meer van mijn kleutertijd, maar vanuit de kamer op de eerste verdieping van mijn ouderlijk huis reikte m’n kinderlijke blik vanaf bed over de IJssel en de Heuvelrug, zoveel is zeker. De seizoenen werden er vervolgens jaar na jaar ruimhartig, door de altijd openstaande ramen uitgestrooid. Ik herinner mij vreemd genoeg van mijn eerste jaren voornamelijk geluiden. Dezelfde vogels die bijvoorbeeld met een rollende ‘R’ aan het einde van een hoogmoedige lied de zomer uitluidden, haalden in mijn geheugen, eerder met angstig gepiep de lente binnen. Nog steeds kan ik op bijna elk moment die klanken uit de tuin van mijn jeugd oproepen, om er met bijna hetzelfde gevoel als destijds verinnerlijkt naar te luisteren.

De nagenoeg geruisloze start van mijn verhaal maakte jaren later met iets meer kabaal plaats voor de pubertijd. Alhoewel, een verbroken verkering en een val van een brommer, dan heb je die hele opstandige fase eigenlijk wel gehad. Om een eigen plek in de maatschappij op te eisen verliet ik als adolescent het ouderlijk huis en ging met tegenzin op kamers in een grote stad. Na de Lerarenopleiding Nederlands in Amsterdam kwam ik, na twee jaar in het onderwijs, uiteindelijk bij boekhandel ‘De Koperen Tuin’ want achluofobie maakte voortijdig een einde aan een loopbaan als onderwijzer; orde houden in een klas vol lawaaiige pubers na een angstige nacht is aanzienlijk lastiger dan de dag uitzitten tussen een overdaad aan gestolde eeuwigheid. Ik heb er sinds ik in therapie ben trouwens minder last van, die beduchtheid voor het donker maar nog steeds durf ik minstens drie nachten op zeven niet in slaap te vallen; bang voor alles dat het duister herbergt. 

Enfin, voor een leven tussen de letteren verhuisde ik dus voor een tweede maal, ditmaal naar Middelburg.
Stapels maken in De Koper’n, boeken op alfabet in schappen duwen, bestellingen plaatsen en zorg dragen voor de bezorging. Bovenal lezers van advies voorzien. Het gaat mij makkelijk af, het aan de man brengen van fictie, ik hou ervan.

De arbeidsomstandigheden verbeterden toen twee jaar geleden, het moet in de lente geweest zijn, Alina werd aangenomen. Ze is ouder dan ik ben, midden dertig. Elke ochtend stapt ze met blosjes op haar wangen van de fiets. Daarna fatsoeneert ze in het toilet, naast de afdeling fictie, haar krullen. Als ze vervolgens naar de kassa loopt om rollen muntgeld op de rand van de lade kapot te slaan, veegt ze routineus haar zwart omrande bril schoon aan haar blouse. Elke ochtend hetzelfde ritueel. Wanneer ik, als gevolg van mijn angst na een doorwaakte nacht niet op gang kom, zet ze sterk geurende koffie en knipoogt samenzweerderig tijdens het inschenken. Er ontgaat haar doorgaans weinig.

Over mij is dit voor nu genoeg. Voor ik straks de met angst gevulde leegte intreedt, zou ik graag nog de afwas doen en mijn gammele boekenkast van nieuwe voorraad voorzien. Ik dénk dat ‘k het voor vandaag hier bij laat.

Tussen de bedrijven door worden jij en ik, oude vriend, elke nacht een ietsje ouder. Nieuwe lijnen trekken ongemerkt in onze huid. De groeiende slagschaduw van de tijd brengt ons, als oogleden voor de slaap, dichter bij elkaar. Maar, hoewel het vertrouwde naar mij blijft lonken, moet ik uiteindelijk opnieuw afstand nemen van wat mij bekend voorkomt en overgeven aan wat komen gaat. Het is goed want het is niet anders.

Deuren dicht, gordijnen net ver genoeg sluiten om de nacht buiten te houden maar beslist niet te ver, zodat het licht van de straatlantaarn schaduwen kan tekenen op de vloer. Alsof het huis tussen geknepen oogleden rust zoekt maar de slaap niet definitief wil vatten.

Daar lig ik, starend naar het plafond terwijl min of meer vertrouwde geluiden de slaapkamer vullen. Bij de buren kraakt parket, de wekker tikt, bloed stroomt bonkend door mijn aderen, ik hoor huiverend hoe mij hartslag interfereert met de klok, water door buizen, de wekker tikt, de wekker tikt, buiten start een auto. Ik grijp links en rechts de zijkanten van het bed en hou het onderlaken met gebalde vuisten vast. Wie weet hoeveel later lijken alleen de geluiden veranderd: angst smoort elk tijdsbesef onder mijn deken. Houterig gekraak begeleidt mijn gedachten en een hels kabaal vult de ruimte. Zonder regelmaat worden uiteindelijk ploffende klanken door de stilte geabsorbeerd.

In mijn beleving duurt het uren voor ik van bed durf en de kamerdeur voorzichtig, met het angstzweet op het voorhoofd, een ietsje openduw: boekenkast van de muur, inhoud achteloos door het toeval gesorteerd in wankele stapeltjes, nergens hoger dan drie boeken. Hier en daar een opengeslagen exemplaar.
“Wat is dit in Godsnaam?” Hoor ik. “Ik ben wel wat wendingen gewend maar dit slaat werkelijk alles. Ik was net op weg naar pagina 74 terwijl ik een vaas stond vol te pissen. Tegen wie sta ik hier eigenlijk te praten? Ach, zolang niemand mij hoort kan deze monoloog een wederzijds begrip niet in de weg staan.” Gestommel en het geknisper van omslaande bladzijden. Nauwelijks zichtbaar in een streep duister duwt iemand met zijn hand op de knie zich staande: “Jawel, ik hoor je… Nummeral, heb jij mij dit aangedaan? Ach, je moet weten dat ik toch nooit slaap.” De eerste stem antwoordt, door geschuifel nauwelijks verstaanbaar: “Nummeral, wat is dat voor naam? Je kunt nog beter dood zijn dan Nummeral heten. Nee, de naam is Frits.” In vormloze gedachten haal ik een stoel uit de keuken en plaats die voorzichtig bij de deur van de woonkamer en net nadat ik erop plaats neem, zie ik een een schim naast een flauwe heuvel van boeken zijn rugzak afdoen. “Frits… dat klinkt in weerwil van de situatie alledaags!” De spreker blijkt, nu hij zich in het schijnsel van de lantaarn beweegt, een tamelijk jonge man met een langwerpig bleek gezicht en een daadkrachtige onderkaak, witte tanden die eruitzien of ze de hardste noten kunnen kraken. Daarboven een verbazingwekkend hoog voorhoofd dat de indruk nalaat of al zijn gedachten klaar staan om een uitval te wagen bij de geringste provocatie. Heel zijn statige verschijning lijkt naar begrip voor de hele bedoeling te zoeken, als ik hem hoor zeggen: “Aha… Frits, mijn naam is Alfred. Ik zeg bewust niet dat ik Alfred bén, nee, mijn naam is Alfred.” “Beste Alfred, het is de mededeling die het hem doet, niet de werkelijkheid zoals die zou zijn als de mededeling waar is”.

Terwijl ik stofdeeltjes in het schijnsel van licht zie dansen, is het Alfred die antwoordt:
“Veel mensen houden hun paranoia voor de waarheid, trouwens waarin verschilt de werkelijkheid van een verhaal?” Frits verzucht hoorbaar: “De werkelijkheid herken je aan haar onwaarschijnlijkheid.”

Aart B. Bocht is een anagram voor Bart Chabot. Verder tref je in de slotdialoog romanfiguren van Reve (Frits uit De Avonden) en Hermans (Alfred uit Nooit Meer Slapen). Beide boek titels vullen het onderwerp aan. De achternaam van de schrijver (Valerah) is een anagram voor ‘verhaal’. De bijfiguur haar naam lijkt op alinea, da’s duidelijk.

Het hart blijft een eenzame jager

Vulpen met er haaks onder de dop, zodat er een kruis ontstaat. Illustratie bij een kort verhaal van tekstschrijver Jacob.
© de tekstschrijvers

Ze wil naar buiten. Het vooruitzicht op rust in haar hart is sterker dan een zwak gestel. De wandelingen op de maandagavonden houden haar op de been. Te zeer verknocht aan die straat om ooit nog aan dit verzorgingshuis te kunnen wennen, slaat ze een verkleurde regenjas over haar mantelpak en haastig stopt ze wat grijze lokken onder een vale muts. 

Ze leefde zuinig. Zo was het doel van haar huwelijksreis het ‘drie landen punt’; de viering van haar zilveren bruiloft vond plaats in een wegrestaurant van ‘Van der Valk’, waar de omzet een hoger doel diende dan de tevredenheid van klanten. Iets wat lang aan de goedhartige vrouw kon knagen. Ze begreep dat een ‘Michelinster’ hier misplaatst zou zijn maar voor hun opzij gelegde geld had ze meer elan, of op z’n minst aandacht verwacht. Toch had ze er nooit spijt van dat ze na het verlaten van de huishoudschool de zorg voor haar gezin zwaarder vond wegen dan de mogelijkheid op een etentje in een chique restaurant, een krantenabonnement, een auto of een verre vakantie. Die zorg was namelijk hààr werk. 

In het huis van haar leven waar ze zevenenvijftig jaar elke nacht heeft geslapen, beleefde ze haar gelukkigste momenten wanneer tussen vier en zes, de twee zonen uit school aanschoven en er, als vader kwam eten, drie generaties aan tafel zaten. Herinneringen aan dat geluk kwamen tot verdriet vaker dan haar volwassen kerels terug.

Ook daarom stond ze samen met haar man dagen achtereen gebukt tussen de schuttingen van een keurig onderhouden tuin, waarin azalea’s, klaprozen en tulpen in door witte stenen afgebakende perkjes groeiden, en waar hoog boven zwermen zwaluwen in de nazomer uiteenvielen. 

De winter die daarop volgde bleef ze welbeschouwd met zichzelf alleen. De burenplicht leefde nog wèl, en zo kwam het dat ze tweemaal per week visite kreeg van een vrouw die ze voordien alleen van gezicht kende. Ze kon zich op deze bezoekjes verheugen: ze gaf er meer om dan om een auto of een verre vakantie. 

Diezelfde buurvrouw, uiteraard met d’r onafscheidelijke hoofddoek, nam soms haar leergierige kinderen mee en gebekt als zij waren wisten ze altijd wel iets uit de glazen snoeppot met koraalrode deksel te vissen. Ook bracht ze veel tijd door met het liefdevol schrijven van epistels aan instanties die haar op standaard wijze een voordelige lening aanboden. Juist omdat ze zo zuinig had geleefd prees ze zich in die brieven gelukkig dat dàt niet nodig was. Evengoed liet ze haar dank niet onbetuigd, want goedhartig en dankbaar zou ze een leven lang blijven.

Nu ze een decennium later op aandringen van haar zonen in een verzorgingshuis haar laatste dagen slijt, schuifelt ze met een sleutel om haar dunne hals, elke eerste dag van de week, terug naar de straat waar ze bijna zestig jaar achtereen ’s nachts haar dromen ving. Haar bed staat deze dagen drie kruispunten zuidelijker in de stad, middenin een door de tijd verloederde wijk.

Voorafgaand aan de tochten zit ze langdurig te mijmeren. Bovendien gebeurt het niet zelden dat op zulke momenten een storm achter haar ogen oplaait. Dan komt er weinig meer van de werkelijkheid terecht dan het opwinden van een klok of het blazen van stof van een plank. 

Tijdens haar laatste wandeling op zo’n maandagavond belde ze vermoeid ergens in die doodlopende straat aan. Achter alle ramen waren de gordijnen gesloten. Ze wilde het voortuintje verlaten maar voorzichtig draaide ze zich om. Onverwacht deed er toch -voor haar hoorbaar- uiteindelijk iemand zwijgend open; een sterk licht sloeg vanachter de opengeslagen deur op het tegelpad.  

Er werd tot het einde kortstondig op haar gewacht, eeuwigdurend op haar gerekend.

Tot zo

Ouderwetse, verlaten draaimolen met een houten hek er omheen. Illustratie bij korte verhalen van de tekstschrijvers.
© de tekstschrijvers

Na het overlijden van mijn vrouw heb ik het wijnglas waaruit ze haar laatste slok nam en waarop haar lippenstift als een tijdloze kus verzonken ligt, niet meer durven aanraken. Het staat als een relikwie op een verder lege tafel. Telkens als mijn blik erop tot stilstand komt kan ik haast geen stap meer zetten. Betraand verlaat ik dan de kamer. Toen het mij vandaag weer overkwam dacht ik al starend naar het glas -in deze leegte zou God, als hij zou bestaan, precies passen.- Ik denk ook nu aan jou, in wie ik ongeduldig en bedroefd mijn hoop heb gekerfd. Ik begrijp de hunkering van alleenstaanden; men is het alleen zijn moe of wil gewoon begrip. Door de tijd geslagen gaten moeten worden gevuld. Niet voor mij, nog niet door mij? Zeg jij het maar. Ik voel dat het in mijn leven nooit beter zal gaan dan deze ijzige dag, dat anderzijds het tij zou kunnen keren kan ik nu onmogelijk weten. Enfin, wat ik ga vertellen gaat eigenlijk niemand iets aan maar omdat het toch niet lang geheim zal blijven, vertel ik het. 

Ik ben eind veertig en tot de reorganisatie bijna mijn hele werkzame leven in dienst van de Spoorwegen. De veilige glazen stolp die mij van de nutteloosheid scheidde werd enkele maanden geleden bij mijn ontslag verbrijzeld en toch, ondanks de kleinstedelijke geluiden en luidruchtige menselijke verwevenheid hoorde ik die dag niets, er heerste stilte tussen mij en de wereld. Om de werkelijkheid enigszins te herstellen heb ik in mijn laatste dienstweek het NS-tenue: pantalon, colbert, gilet, blouse, stropdas nauwkeurig na laten maken, waarna ik iedere ochtend op dezelfde tijd als voorheen het huis verliet. Eigenlijk was er voor mij niet veel veranderd: aankomst en vertrek, de twee ultieme krachten in een leven komen tenslotte samen op een perron. Ik kon bovendien mijn werktijden kiezen, iets dat ik overigens zelden deed: ben nogal trouw aan de realiteit. Verhalen zijn voor mij dan ook slechts de dagdromen van de geschiedenis. 

Het eerste dat ik onlangs van jou Esther, mijn nieuw licht, in weerwil van alles waarnam was het getik van je hakken gevolgd door je warme hand op mijn schouder, je stem “Vanaf welk station vertrekt de trein naar Echt?” Uiteindelijk trof ik een uitnodigende blik op je voorname gezicht. 

Beheerst door melancholie liep ik een uur of wat geleden, in zorgvuldig gekozen kleding naar het station. “De lente lijkt ver, het liefst zou ik de winter doorbrengen in een warm land, maar altijd gaat er iets verkeerd.” hoorde ik iemand in het voorbijgaan zeggen. 

Op deze avond in februari biedt het landschap vanaf hier een grauwe aanbik. Ergens tussen de grijze nevel spiegelt de maan haar licht op een zwarte sloot. Ik zit aan de rand van het spoor met m’n laptop op de knieën qwertyui-op … zelfs de letters stoppen. Het duister is vertrouwd en helemaal van ons. Ik hoop dat je mij straks erin ontvangt, ik neem die van 21:08.

Zelf schrijver worden

De Nederlandse schrijver Gerard Reve achter zijn schrijftafel
© Steye Raviez, op de KABK nog een semester les van gehad 

Zelf schrijver worden, als je de ambitie hebt om te gaan schrijven is dit elementair. In november 1985 hield Reve vier verhandelingen in het kader van de Albert Verwey-lezingen in Leiden. Dit zijn de meest prominente teksten waarin Reve zijn poëticale standpunten bespreekt. Doe er je voordeel mee.

In de eerste lezing, ‘De Vrouw Van Rome’, bespreekt Reve de invloed van religie op kunst. Hij definieert kunst (én religie) als gestileerd menselijk handelen, dat een ontroering teweeg brengt. Als een van de elementen stilering, menselijk handelen of ontroering ontbreekt, is er geen sprake van kunst. De opdracht van de kunst is het duiden (verklaren of ontraadselen) van de werkelijkheid. Volgens Reve bestaat er geen andere kunst dan religieuze kunst en het diepste, wezenlijke en nooit afwezige thema van alle kunst is de dood.

De tweede lezing, ‘Echt Gebeurd Is Geen Excuus’, heeft als onderwerp de theorie van het schrijven van leesbaar proza. Reve verdeelt proza in vier zuilen: Conceptie, Compositie, Stijl en Woordgebruik. Conceptie en Stijl zijn aangeboren eigenschappen en Reve noemt ze daarom de onvrije zuilen. Compositie en Woordgebruik zijn de vrije zuilen, die door oefening en studie geleerd kunnen worden.

Onder Conceptie valt visie: een diepgeworteld, goeddeels in het onbewuste verankerd blijvend levensgevoel. Talent valt eveneens onder Conceptie en deze zuil draagt volgens Reve alles: er is een verplichte aanwezigheid van de tijd, eenheid van conventie, weerspiegeling, anticipatie of aankondiging en een verbod op het onverwachte.

Stijl is het specifieke ritme en het tempo waarmee een auteur een idee ontvouwt. Een goede auteur herken je aan zijn stijl en deze zuil is in beslissende mate gedetermineerd door de zuil Conceptie. Stijl is iets anders dan Woordgebruik. Het verschil is gelegen in het feit dat een bepaalde stijl een bepaald woordgebruik eist.

Woordgebruik is van groot belang: het kan een vervolmakende factor zijn. Volgens Reve kan een auteur leren hoe hij een goede combinatie maken tussen Woordgebruik en Stijl en daarom noemt hij deze zuil vrij.


de jonge Reve met een wijnglas; zo zien we die tekstschrijver graag
© Steye Raviez

De tweede zuil, Compositie, omvat de begrippen handeling, intrige, conflict en motief en is de bewustmaking van de Conceptie. Voor die bewustmaking is een aantal aspecten van belang. Op de eerste plaats is er een verschil tussen story (het verhaal) en plot (de intrige). De lezer van verhalend proza verlangt naar een zinhebbend causaal verband. Verder geeft hij aan dat er een tijdsaanduiding moet zijn, omdat het voor de lezer dan duidelijk wordt dat er iets gebeurt. Een handeling dient ook in de tijd geplaatst te worden, anders overleeft het werk de tijd niet. De tijd maakt deel uit van een complex en hierdoor krijgt de lezer houvast. Er dient bij de lezer een voorstelling te ontstaan, die nooit identiek kan zijn aan die van de auteur, maar emotioneel daaraan gelijkwaardig is.

De aankondiging is van groot belang, omdat er geen onverwachte belangrijke gebeurtenissen mogen plaatsvinden. Een aankondiging zorgt ervoor dat de lezer ontroerd kan raken en verhoogt de waarschijnlijkheid en de geloofwaardigheid. Vooral dat laatste is een vereiste voor goede literatuur.

De geloofwaardigheid illustreert Reve aan de hand van twee onderwerpen: de functie van de dialoog (deze wordt vaak onderschat in verhalend proza) en de onbruikbaarheid van de werkelijkheid (deze is onwaarschijnlijk en volstrekt ongeloofwaardig). Een goede dialoog kenmerkt zich door een afwisseling van directe rede, indirecte rede, monologue intérieur en zakelijke opsomming van het gesprokene. Ook moeten er rustpunten zijn voor de lezer, bijvoorbeeld door het beschrijven van geluiden, van het weer en van iemands blik. De werkelijkheid moet gestileerd worden weergegeven. Een onafgezwakte weergave van de werkelijkheid levert ongeloof op bij lezer en criticus.


tekstschrijver Rene poseert tussen twee huizen voor een Frans landschap
© Steye Raviez

In de derde lezing, ‘Zonder Zonde Gaat Het Niet’, behandelt Reve de overige factoren van de compositie: vergroting door verkleining, tragiek versterkt door humor, sterkte door zwakte, vrijheid uit noodlot en weder en wind. Deze factoren hebben alle te maken met zin en duiding van het menselijk lot: het zijn veel meer metafysische factoren dan factoren van techniek en ambacht. Vergroting door verkleining betreft het fenomeen dat de enkeling interessanter is dan de massa. Het kleine, zwakke machteloze roept diep medeleven bij ons op. Volgens Reve ervaren wij bij uitstek het lijden en de dood in het eenzaam uitgebeelde.

Tragiek versterkt door humor is een doeltreffend gereedschap, maar het moet wel met grote zorgvuldigheid worden toegepast. De werking berust op het door een geintje schijnbaar op losse schroeven zetten van de geldigheid van de tragiek. Hierdoor wordt de tragiek door de lezer dieper ervaren.

Sterkte door zwakte is van groot belang volgens Reve. Een auteur moet zijn personages een karakter meegeven dat bestaat uit goede en slechte eigenschappen: het personage komt dan levensecht over bij de lezer en deze kan zich met het personage identificeren, van hem houden of medelijden met hem hebben.

Voor de factor vrijheid uit noodlot refereert Reve aan Arthur Schopenhauer. Volgens Schopenhauer kan iemand maar één ding willen en datgene wat hij wil kan hij niet, maar moet hij doen. Wij kiezen in vrijheid, maar wat we kiezen ‘geschieht notwendig’. Reve vindt dat de onafwendbaarheid van het lot, in proza gepresenteerd, de spanning niet wegneemt, maar juist versterkt.

Met weder en wind doelt Reve op meteorologische omstandigheden. Het doel ervan is het verhaal decor te geven. Het gaat hierbij om een zinhebbende aanwezigheid. Deze factor vervult de rol van koor: commentaar, aankondiging en bevestiging van het waarheidsgehalte.


tekstschrijver Reve op oudere leeftijd
© Steye Raviez

In de vierde lezing, ‘Misbruik Nooit Zijn Naam’, bespreekt Reve het woordgebruik: die gang van zaken waarbij een auteur, al voortschrijvend, met bewuste of onbewuste opzet, tot de vertolking van een begrip een woord of uitdrukking bezigt met uitsluiting van alle andere. Het doel is dan een bepaald effect te bereiken. Hij onderscheidt twaalf soorten woordgebruik in vier categorieën: graden van stelligheid, anomalisch woordgebruik, het cliché en het laatdunkend woordgebruik.

In de graden van stelligheid onderscheidt hij afstandelijk of ambtelijk woordgebruik, ironisch woordgebruik, overdrijvend woordgebruik en schijnbaar verzwakkend woordgebruik. Reve hecht aan ‘waardige woorden’ en verkiest deze boven platte equivalenten.
Tot anomalisch woordgebruik (woordgebruik dat afwijkt van een regel) rekent hij pleonastisch woordgebruik, het niveauveranderend woordgebruik en het opzettelijk woordgebruik. Hij licht dit vervolgens toe met voorbeelden.
In tegenstelling tot de gangbare opvattingen, namelijk dat het cliché een afgesleten woord of uitdrukking is, vindt Reve juist dat een begrip samengebalde betekenis krijgt door gebruikt te maken van het cliché. De voordelen van het cliché zijn het niet meer hoeven nadenken over de letterlijke betekenis ervan en het feit dat iedereen het begrijpt.

Onder laatdunkend woordgebruik schaart Reve scheldend woordgebruik, insinuerend woordgebruik, godslasterlijk woordgebruik en obsceen of pornografisch woordgebruik. Scheldend woordgebruik is zelden effectief. Insinuerend woordgebruik schenkt de auteur die het gebruikt een niet geringe genoegdoening. Het blijft meestal ongestraft, maar is altijd moreel ontoelaatbaar handelen. Het gebruik van godslasterlijke woorden acht Reve een de mens vernederend bedrijf, dat slechts bij hoge uitzondering toegelaten kan worden, bijvoorbeeld om in een dialoog iemands stemming te typeren. Door de naam van God uit te spreken wordt God tegenwoordig. Obsceen of pornografisch woordgebruik duidt Reve aan met vuilschrijverij. Het is een manier van schrijven die iets als vuil en minderwaardig voorstelt, dat het niet is. Pornografie en godslastering zijn voor Reve vrijwel hetzelfde.

Tot slot zegt Reve nog iets over kitsch. Cliché en kitsch hebben een door versimpeling bewerkstelligde eenduidigheid gemeen. Bovendien worden deze begrippen door velen als verwerpelijk beschouwd. Kitsch is lastig te definiëren. Het is wel duidelijk dat het er bij kitsch te dik bovenop ligt. Toch is kitsch onontbeerlijk. Als het vakkundig wordt uitgevoerd, komt men te weten waar het over gaat en bestaat er geen twijfel over wat het voorstelt. Volgens Reve bestaat het hele leven uit een aaneenschakeling van cliché en kitsch. Om de werkelijkheid te duiden is Reve dan ook het cliché en de kitsch steeds minder gaan schuwen en het resultaat is, volgens hem, bemoedigend.

Dream on (NLP)

Dat Amerika het land van de toekomst is, wordt in een willekeurig gesprek met een al even willekeurige inwoner vlot duidelijk. Er zal je tijdens zo’n conversatie, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, niet worden gevraagd naar je verleden, je ouders, je persoonlijke geschiedenis. Nee, je gesprekspartner met reislustige voorouders is geïnteresseerd in je vooruitzichten, maar bovenal naar de manier waarop je je plannen zo snel mogelijk denkt te kunnen verwezenlijken. Want verwezenlijken kunnen ze, die lui, daar aan de overkant. 

Tijdens extreem naargeestig weer, wil een fragmentje van dat snel verwezenlijkt verschiet zo nu en dan ons continent aandoen. Zo maakten we na een koele straffe wind uit het westen kennis met de jojo, New Age, de hoelahoep, de Wuppie en Neuro-Linguïstisch Programmeren. Onderschat ze niet, die lui, daar aan de overkant; trends zetten kunnen ze.

Dankzij één zo’n flinke storm over een plas water, zaten we jarenlang opgescheept met een Tokkies knuffelende NLP Pipo als Ratelband. Deze snackbarhouder vulde niet alleen z’n patatzakken met voordeel zoekend pseudowetenschappelijk gezever. Neuro-Linguïstisch Programmeren en ‘Landmark Education’ zijn, evenals de Amerikaanse droom, illustratief voor het opportunistische idee dat alles mogelijk is als je er maar in gelooft. Dat die droom voor verreweg het merendeel van de bevolking eindigt in een nachtmerrie, wil natuurlijk niet zeggen dat miljoenen hypotheekverkopers of krantenjongens niet hun best hebben gedaan; een naam als Rupert Murdoch onthouden wij eenvoudigweg omdat hij de uitzondering is en uitzonderingen kweek je niet. Zeker niet door het lezen van boeken van Wayne W. Dyer en Tony Robbins met nietszeggende titels als “Geluk is de weg”, “Willen is kunnen” en “Inspiratie”. 

In die boeken geven deze charlatans in holle retoriek, aangedikt met oneliners, de lezer (vaak kolenspringende, designerbrillen dragende loonstrookstrooiers) het idee dat de mens los staat van zijn omgeving; dat de eigen wil sterker is dan de factoren die van buitenaf op hem inwerken. Elk kind met een warme euro in de knuistjes, staande voor een snoepwinkel, weet dat dit onzin is. En zo zal 150 maal in een overvolle metro roepen dat je net zo slim bent als Einstein, in de toekomst bijzonder weinig aan je IQ of geloofwaardigheid toevoegen.

Laatstgenoemde vluchteling uit het Avondland belandde overigens in 1933 in het land van de Dromen, hoe logisch kunnen dingen zijn? Ik veronderstel dat Albert was overvallen door een vlaag van melancholie en heimwee, toen ie liet optekenen: “Denk niet aan de toekomst, die komt snel genoeg.”

Natuur voor beginners

Begrijp me niet verkeerd, Ik ben allerminst groen. Sterker nog: Ik hou helemaal niet van bomen, struiken of kriebel dieren. 

De natuur is best leuk, maar ik krijg er net als bij kunst vaak dorst bij. Maar goed, de milieu maffia en andere natuur ellendelingen hebben me een schuldgevoel aan weten te praten. Nu ik in m’n leven een dikke drie hectare bebossing aan vliegvakanties heb weg gedampt, er in m’n overjarige Peugeot nog een flink park aan uitlaatgassen letterlijk achteraan heb weten te sturen, heb ik besloten eens wat voor de natuur terug te doen. Het spinnetje dat ik voordien in het afvoerputje spoelde, hijs ik er nu aan een paar pootjes dus weer uit. Ik trek trouwens ook geen soep meer van jonge hertjes. Nee, tegenwoordig zie ik nog liever een leperapatient creperen, een aids gevalletje sterven dan een zeehondje te moeten aanschouwen met een staartje dat niet meer kwispelt van plezier! Vond ik vorige week vegetariërs, veganisten en vaginisten nog de meest humorloze bevolkingsgroepen sinds de uitvinding van de biefstuk, nu ben ik voor stemrecht voor dieren.

Om mijn nieuwe levenshouding kracht bij te zetten fietste ik naar het dichtstbijzijnde tuincentrum en keerde met 10 kilo verse tuinaarde en 7 zakjes plantenzaad huiswaarts, om vervolgens weer terug te trappen naar dat Euro’s verslindende groen reservaat: die aarde moet natuurlijk wel ergens in. Enfin, plantenbakken gevuld met aarde, er kuilen in geduwd en de zaad zakjes met verpakking en al in die gaten geflikkerd; de natuur moet er natuurlijk zelf òòk wat voor over hebben. 

Na drie weken elke ochtend met een kop koffie in mijn hand de onderaardse zaad massa bemoedigend te hebben toegeroepen, nog steeds niets. Te beroerd om zich door het plastic naar het aardoppervlak te wringen. Geeft niks, ik ben vergevingsgezind.

Ik weet ook wel dat de natuur niets doet zonder doel. Het zal het seizoen niet zijn, verkeerde aarde, te veel of te weinig water. Mijn nicotine gebruinde vingers stralen herfst uit, groen zullen ze nooit worden.

Dideri don’t

Aan elk waardeerbaar resultaat gaat oefening vooraf. Hoe hoger de moeilijkheidsgraad van een kunstuiting, hoe groter mijn erkenning. De eerste niet de beste holbewoner in een verkeerd lichaam die (onderwijl het straatbeeld ontsierend) op een door termieten uitgeholde dode tak een liedje van een kwartier, bestaande uit welgeteld één toon weet te persen, hoeft zich uit MIJN portemonnee niet rijk te rekenen. Kan toch al slecht tegen types die hun haar niet meer wassen omdat ze zich in een andere cultuur beter begrepen voelen. Zulke fanatici zijn vaak twijfelaars die een beslissing hebben genomen en melodie, ritme, dynamiek, spanningsopbouw en harmonie maar zaken vinden voor een veel te materialistische samenleving. 

Hoorde, op een verkeerd feestje, een trotse bezitter van zo’n natuurlijke pvc buis uitleggen dat er veel mogelijk is op zo’n dideri-dinges. Die ongevraagde toelichting maakte me gelijk argwanend: ik heb een pianist nog nooit naar z’n instrument zien wijzen terwijl hij vertelde dat je nog eens op zou kijken als je zou horen hoeveel noten je dáár uit krijgt.

Net zoals de hele alternatieve geneeswijze bestaat uit het onderkennen van het feit dat er voor vage klachten vage therapieën nodig zijn, zo is de fluitbuis de viool voor half dove lieden bij wie het gebrek aan muzikaliteit nóóit meer te genezen valt.

Niet te geloven (sterrenbeelden)

Heb enkele vriendinnen die zich ontpoppen tot dolende veertigers en ondertussen met steeds meer overtuiging de dierenriem om hun psychische tailles spannen om zo het verloop der dingen enigszins te kunnen behappen.  Van vriendinnen kan ik het nog nèt hebben.

Anders wordt het met die in veel te wijde jurken opererende kruidenbundeltjes die bij tijd en wijlen mijn pad kruisen en met kirrende stem vragen wat voor sterrenbeeld ik ben. Meestal stuur ik ze het bos in met een variant op de meest bekende Zodiak, bijvoorbeeld de Keltische Boom Horoscoop en roep naar zo’n zweefteefje al naar gelang mijn stemming van die avond dat ik een Iep ben, een Pijnboom, een Treurwilg of een hardhouten Hazelaar. Wat beteuterd kijkt zo’n Rooibos type vervolgens naar haar kralenketting en zoekt in haar geheugen naar de Keltische Boom-Horoscoop-Omrekentabel om daarna met de blik van Wikkie de Viking uit te roepen: “Je bent een Stier! Ik wist het; je bent een Stier!” 

Zo’n avond kan lang duren maar met elke gok komt toch het goede teken uiteindelijk dichterbij. Vaak compleet met ‘antecedenten’ of hoe die rommelpraterij een aanvullende hoeveelheid nonsens ook noemen mag. Een enkele keer als zo’n exemplaar bijvoorbeeld niet te veel naar wierook stinkt, neem ik de moeite om te vragen of horoscopen ook voor dieren gelden. En als dat met een beetje sturing (“deze krachten kunnen de dieren toch niet uitzonderen.”) zo blijkt te zijn, vraag ik ze hoe het dan zit als een bepaald mens bijvoorbeeld een waterman is maar een vlo heeft die stier is en wegens zijn slechte constellatie in een rivier verdrinkt. Verdrinkt die man dan ook ondanks zijn positieve vooruitzichten voor die maand? De laatste keer dat ik dat verhaal ophing gokte mijn yoga gespreksgenote in de roos: “Typisch steenbok, om niet in sterrenbeelden te geloven!”

Copywriter versus tekstschrijver, hoe zit dat?

Via het succes van onder andere Coca-Cola, IBM, Microsoft en Apple vliegen Engelse termen het land binnen; probeer maar eens manager te vinden die begrijpelijk Nederlands spreekt. Dat het Engels via marketing (en dus reclame) het Nederlands beduimeld is zo bezien niet vreemd, maar inhoudelijk zijn er zo ook verschillen tussen termen als “tekstschrijver” en “copywriter” ontstaan.

Een copywriter zal eerder conceptmatig werken, eventueel in samenspraak met de artdirector van een reclamebureau. Een copywriter zal ook wat losser denken en zal in marketingteksten, waar nodig afwijken van de schrijfregels. Een tekstschrijver is wellicht meer een taalpurist en zal met gevoel voor stijl neutrale teksten schrijven, teksten helder en logisch opbouwen en waar mogelijk objectief informeren. 

Zowel de tekstschrijver als de copywriter zijn ieder op hun manier intensief met taal bezig; persoonlijk verkeer ik in de veronderstelling dat een echt goede tekst kenmerken van beide herbergt.